De kunst van Ans Wortel werd in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw bejubeld door critici en groeide uit tot een bekende Nederlander. Nadat ze in 1963 werd bekroond met de eerste prijs van de Biënnale de la Jeunesse in Parijs, ging het hard met carrière van de autodidact. Hetzelfde jaar nog volgde een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam, dat ook werk van haar aankocht. In 1968 bood de toenmalige burgemeester haar villa Kranenburgh in Bergen aan, nadat hij haar krappe huisje in Amsterdam had gezien.

Ans Wortel was dol op haar onderkomen en werkte er onafgebroken. Ze vulde het huis met schilderijen die zich – zeker in haar latere periode – kenmerken door een heel eigen stijl, het ‘Ikme’, zoals Wortel het zelf noemde. Op de schilderijen zijn herkenbare, maar vervormde mensfiguren te zien. Vooral vrouwen, forse, stoere vrouwen, met grote handen en ogen, vaak omgeven door surrealistische landschappen. Met haar vrijgevochten kunstenaarsgeest was ze wars van regels en trok ze zich nergens iets van aan. Talrijk waren de feesten en ontvangsten in haar pand, en nog talrijker de verhalen over de excentrieke kunstenares. Haar huis werd het centrum van de wereld van de kunstenaar.

Wortel weigerde dan ook te vertrekken toen de gemeente er een museum van wilde maken. Haar werk en leven waren inmiddels onlosmakelijk met het huis verbonden: “Dit huis is van dit werk, en dit werk is van dit huis”, protesteerde ze tevergeefs. In 1991 verliet Wortel echter het huis dat in 1993 heropende als Museum Kranenburgh. Deze zomer eert Kranenburgh de kunstenaar pur sang op de plek waar ze het liefste was.


Portretfoto Ans Wortel: Trees Bruinsma